
Het woord dat steeds meer wordt vermeden, verfoeid of verheerlijkt: Israël. En dat in de kerk, maar nog veel meer en heftiger daarbuiten. De een steekt spontaan de Israëlische vlag uit, de ander juist de Palestijnse (en beiden zouden die andere vlag liefst verbranden). Hier wil ik het hebben over de kerk. De PKN heeft het prominent staan in Artikel I van haar Kerkorde: ‘De kerk is geroepen gestalte te geven aan haar onopgeefbare verbondenheid met het volk Israël.’ Het was nogal een reis voordat het er in 2004 in kwam en inmiddels wordt het alweer alom aangevochten. Voor mij is die zin in de kerkorde fundamenteel, maar waarom en hoe?
Misverstanden en denkfouten
Bij ‘Israël’ denkt iedereen onmiddellijk aan de staat Israël. En in het verlengde daarvan meestal ook aan het officieel vastgelegde Joodse karakter daarvan. Onze cultuur denkt nu eenmaal principieel materialistisch en historisch en dan moet een naam onvermijdelijk slaan op een iets, in dit geval een staat in het Middenoosten.
Maar in de kerk is ‘Israël’ in de eerste plaats een bijbels woord. Het komt ruim 1600x voor in het Oude Testament en bijna 50x in het Nieuwe Testament. In al die gevallen slaat het in directe zin op het bijbelse volk dat leefde in het gebied dat vandaag Israël en de Palestijnse Gebieden omvat. En dat concrete bestaan eindigde toen de legioenen van Titus in 70 Jeruzalem en de tempel volledig verwoestten.
Wie die ramp overleefden moesten zichzelf als volk en geloof opnieuw uitvinden. Twee stromingen ontstonden daaruit: de synagoge en de kerk. Twee zusters en tegelijk beiden ook wees. Ze groeiden uit elkaar, niet overal even snel of even grondig, maar de christelijke concilies uit de 4e eeuw maakten de scheiding nagenoeg absoluut. Hoewel: kun je je bloedeigen zuster echt compleet uitsluiten? Vanuit de kerk werd de relatie in elk geval er een van strikte afwijzing, met antisemitisme en bloedige vervolgingen als resultaat – ’tot op de huidige dag’ kunnen we in bijbeltaal toevoegen.
Het gevolg was in de kerk tevens dat ‘Israël’ vergeestelijkt werd tot iets dat boven de geschiedenis zweefde. De Joden konden niet langer aanspraak maken op die titel, want zij hadden immers Jezus als messias afgewezen. Joden waren de verworpen zuster en de titel ‘Israël’ ging daarom over op de kerk als het ‘geestelijke Israël’, het ‘nieuwe verbond’. Precies dit maakte Joden tegelijk vogelvrij – want ze hadden als volk geen bestaansrecht meer – en een makkelijk doelwit voor ongeacht welke opgehoopte sociale of politieke frustratie – want met vijanden van Christus kon de christen doen zoals het uitkwam. Vergeestelijken had dus keiharde materiële gevolgen: verbanning, roof, moord, kruistocht. En wat de kerk ook beweerd mag hebben: Deus vult dat absoluut niet.
In de 20e eeuw leerden we dat voor het zelfverstaan van Joden juist dat land Palestina erbij hoorde, ook als ze daar zelf nooit zouden gaan wonen. Geloof en leven, geestelijk en materieel, hemels en aards horen in het Joodse bewustzijn altijd bij elkaar. Dus, als het Joodse volk wilde ontsnappen aan pogroms en dagelijkse discriminatie, zou er daadwerkelijk een eigen land noodzakelijk zijn. De logische keuze was Palestina (al passeerde er een rijtje alternatieven). Het is flauw en historisch vals om dat zionisme weg te zetten als een constructie uit de 19e eeuw en derhalve in de 21e eeuw achterhaald. Het nationale bewustzijn van alle westerse landen is evengoed een construct uit de 19e eeuw.
De zaken worden verder gecompliceerd door een typisch westerse, en zeker ook christelijke, gewoonte om dualistisch te denken. Iets is zwart of wit, waar of niet-waar, echt of verzonnen, enzovoort. In de huidige tijd uit zich dat vooral in het denken in een tegenstelling tussen dader en slachtoffer. Als daar dan ook nog een voorkeur voor emotie boven rationaliteit bijkomt – niet zelden gecamoufleerd achter een façade van cijfers als ‘harde feiten’ – heb je al gauw een hoogst explosief mengsel. Dan betekent ‘Israël’ de staat en die staat is dader. En daartegenover betekent ‘Palestijns’ dan het in een hoek gedreven volk dat slachtoffer is.
In werkelijkheid is het juist de bijbel die dat dualisme doorbreekt. Geen ander heilig boek is zo direct, op het ongenadige af, om van de eigen voorgangers, koningen en profeten het falen te laten zien, zonder dat daarmee diezelfde leiders meteen worden afgeschreven. Goed en kwaad zijn geen keurig te onderscheiden grootheden. Ze lopen voortdurend door elkaar en het is de roeping van de mens – religieus of niet – om in die warboel toch de draad naar het goede leven terug te vinden. Kromme stokken kunnen recht slaan en rechte scepters kunnen er finaal naast meppen. Dat is zo vanaf de oerverhalen in Genesis, maar verder tot aan de apokalyptische beelden van Openbaring.
Kortom, juist dat dwarse en hardleerse woord ‘Israël’ houdt ons in de kerk bij de les: altijd opnieuw vragen naar wat het goede dient. Dat is een steeds voortgaande weg van steeds opnieuw leren. Dat is nu precies de titel waarmee Jezus zich graag aanduidde: Leraar, didaskalos. En laat de kerk het nu eindelijk eens aandurven om echt te leren van haar zuster: de synagoge. Daar wordt het Oude Testament al veel langer gelezen en bestudeerd. En het laat zich nooit vervangen door het Nieuwe Testament, integendeel.
Dan is het niet verstandig om als theologen absolute ‘rode lijnen‘ te trekken, zonder zich grondig af te vragen of ze zo niet gewoon het ene selectieve narratief inruilen voor het andere. Dan wordt het ‘land-zonder-volk’-narratief simpelweg verwisseld voor het ‘koloniale-staat’-verhaal.
Daarom wordt ik ook moedeloos, nee, gewoon boos, om alweer een poging om ‘Israël’ te verbannen uit het kerkelijk taalgebruik. Zo is het al te vaak gegaan: eerst de woorden veranderen, maar daarna volgden altijd daden. Geen Israëlzondag meer en die ‘onopgeefbare verbondenheid’ uit de kerkorde. En dan? Er zit ook weer hetzelfde dualisme tussen dader en slachtoffer in en het komt bovendien met die morele superioriteit die kerkmensen maar niet kunnen afleren: ‘Daarmee wil je als kerk niet geassocieerd worden.’ Nee, want ‘wij’ zijn zuiver, wij staan aan de goede kant van de geschiedenis…
In het verlengde hiervan speelt schuldgevoel een grote rol. Schuld zit nu eenmaal stevig verankerd in de harde kern van de kerkelijke leer – hoewel in de zogenaamd niet-gelovige seculiere wereld net zo hard altijd een schuldige wordt gezocht. Maar het wordt vaak als argument aangevoerd: alle steun voor Joden en de staat Israël komt voort uit schuldgevoel over de Sjoa, zegt men dan. Die ligt achter ons en mag nu dus geen argument meer zijn. En in dezelfde adem door moeten we dan wel de Palestijnen en de Palestijnse onafhankelijkheid ondersteunen, want die zijn nu de slachtoffers. Dat komt dan precies net zo voort uit westers schuldgevoel, dus wat is nu het punt? Schuldgevoel is inderdaad naar beide zijden toe een slecht argument, al was het maar omdat het zich grotendeels onttrekt aan rationeel denken.
Misverstanden en denkfouten – een kerk zou toch wijzer moeten kunnen zijn dat dat?
Politieke warboel
Zodra het I-woord klinkt barsten de politieke vuurgevechten los. Loopgraven, mijnenvelden en valstrikken alom. Harry Kuitert had achteraf toch een punt: ‘Alles is politiek, maar politiek is niet alles’.
Het oude christelijke narratief was dat de Joden als volk geen bestaansrecht meer hebben en dus al helemaal niet als natie met een eigen land. Ze waren immers ‘verworpen’? De kerk verving het ‘oude bondsvolk’ in Gods plan. Na de Tweede Wereldoorlog veranderde dat – en jazeker, op dat moment speelde schuldgevoel een grote rol. Van schrik werd het ingeruild voor een narratief dat in de staat Israël bijbelse profetieën letterlijk vervuld zag worden: de woestijn bloeide immers als een roos? Niet altijd, maar in de meest reformatorische en evangelicale hoeken, werd daar bovendien een eigen agenda onder geschoven. Want als de profetieën over de eindtijd nu ook in Israël ‘vervuld’ zouden worden, dan zou de wederkomst van Christus daar zijn – en dan zouden alle Joden zich ook tot hem bekeren. Eindtijdspeculaties alom, ook al heeft de kerk die al sinds de Oudheid redelijk consequent tegengesproken en weerlegd.
Een verwant narratief luidt dat Palestina op grond van de bijbelse geschiedenis en de beloften daarin rechtmatig toekomt aan het Joodse volk. Het is hun Heilige Land en ze hebben dus rechten. Dat narratief wordt ook breed gedeeld door Israëli’s die niet religieus zijn, ongeveer de helft van de Joodse bevolking. En daardoor hebben die intern weinig verweer tegen extremistische kolonisten die wel degelijk fanatiek religieus redeneren (en naar mijn idee, geregeld ook on-Joods).
In de kerk is dit narratief ruimschoots overgenomen, hoewel het de laatste decennia flink op z’n retour is. Want zo simpel en exclusief kan het toch niet zijn? Palestina is toch ook Heilig Land voor moslims en christenen? Moslims woonden daar al vanaf het ontstaan van de islam en christenen, zij het in kleine kernen, al vanaf de 1e eeuw. Die laatsten trouwens net als sommige Joodse groepen.
Daar zit het punt achter van de bijbelse landbeloften. God beloofde immers aan Abraham, Isaak en Jakob dat hun nageslacht in Kanaän zou wonen? Heel de woestijnreis in Exodus en Numeri, alle wetten in Leviticus en heel Mozes’ lange afscheidsrede in Deuteronomium draaiden precies daarom: wonen in het Beloofde Land. De conclusie van veel christenen was dat in 1948 die beloften historische werkelijkheid werden: Gods beloften werden vervuld.
Dat verhaal rammelt op essentiële punten. Er is niet één landbelofte, er zijn er minstens drie. In Genesis 15,18-21 omvat het zowat het hele huidige Middenoosten, terwijl het in Numeri 34,1-12 gaat om wat nu Palestina, Libanon en Syrië is. Maar als het land daadwerkelijk in bezit genomen wordt en de beschrijving veel uitvoeriger is, is het nog weer kleiner (Jozua 13-19). Terwijl de meest compacte belofte die is aan Jakob in zijn droom bij Bethel (Genesis 28,13): het land waarop jij ligt – dat is 1 m². Dus: welke landbelofte?
Bovendien koppelt de bijbel het wonen in het land rechtstreeks aan het leven uit de geboden. Dus: aan het doen van gerechtigheid, het bouwen aan vrede en de barmhartige omgang met weduwe, wees en vreemdeling. Leviticus waarschuwt nadrukkelijk: dóe dit, opdat het land jullie niet zal uitspugen (Leviticus 20,22v). Precies daar zit ook voortdurend de kritiek van de profeten: dat het volk niet doet wat het moet doen, namelijk recht doen, vriendschap liefhebben en naarstig wandelen met je God (Micha 6,8).
Bijbelse beloften zijn geen eigendomsakten voor de moderne tijd en zeker geen legitimatie voor landroof. Maar dat mensen op een eerlijk verkregen stuk grond dat ze zelf tot bloei hebben gebracht toch iets weerspiegeld zien van Gods beloften, is wat anders. De landclaim zit daar in die koopakte, niet in een bijbelse belofte. Die belofte werpt dan wel een ander licht op het concrete heden. Niet als vervanging van wetten en overeenkomsten, maar als verrijking daarvan.
Men beroept zich in het conflict tussen Israël en de Palestijnen graag op het internationaal recht. Dat zou dan onpartijdig moeten oordelen over een gordiaanse knoop van politieke en religieuze claims, gebeurtenissen en geweld dat zich in feite al meer dan een eeuw heeft ingerold. De meest gehoorde aanklacht is dan dat Israël zich niet houdt aan het internationale recht. Dat klopt de ene keer wel, de andere keer niet. Maar aan de andere kant kunnen groepen als Hamas of Islamitische Jihad zich makkelijk onttrekken aan dat internationale recht waarop zij zich beroepen, omdat zij geen formele staat zijn. Kort en goed: de stichting van de staat Israël is in 1948 door de VN goedgekeurd en dat is internationaal recht. Dat er daarna talloze VN-resoluties kwamen die dat weer ongedaan wilden maken, is een ander punt. En het zwakke punt van internationaal recht is vooral dat er in de meeste gevallen geen handhaving mogelijk is. Grootmachten als de VS, China of Rusland trekken zich er sowieso niet veel van aan. En Israël zelf evenmin, zoals we zeer geregeld kunnen zien. Een beroep op internationaal recht is daarom gewoon nogal wankel.
Ook mijn eigen PKN verwijst graag naar het internationale recht. Gelet op wat ik net schreef is dat op z’n best een zwaktebod om zelf niets te hoeven kiezen.
En tenslotte duikt steeds vaker het woord ‘kolonialisme‘ op. Dat is een sluw woord. Het roept meteen associaties op met slavernij, economische uitbuiting, racisme en roof van grondstoffen. Dus inderdaad: die woorden volgen dan ook geregeld na ‘kolonialisme’.
Het zionistische plan van Theodor Herzl was inderdaad geschoeid op 19e eeuwse koloniale voet. Het was een typisch kapitalistische onderneming. Om vandaag datzelfde woord ‘kolonialisme’ weer te plakken op de staat Israël, verdraait de zaken. Israël is vandaag een seculiere, westers-kapitalistische, in principe democratische staat, met alle zegen en onheil vandien. Palestijnen willen in feite niet anders dan ook zo’n staat zijn. En beide zijden hebben kleine, maar fanatieke, minderheden die het juist een religieuze samenleving willen maken.
Door Israël een koloniaal project te noemen wordt de reactie opgeroepen dat het daarom geen recht van bestaan heeft. Want kolonialisme is racisme en dus fout. Dan pas je het historisch oordeel over de koloniale politiek van het westen uit het verleden vandaag zomaar weer toe. Maar als je Israël hierom wilt veroordelen – en de logische consequentie is dat alle Joden daar weer moeten vertrekken – moet je dat ook doen voor al die andere landen die van koloniale oorsprong zijn: heel Noord-, Midden- en Zuid-Amerika, heel Australië en grote delen van Rusland. Allemaal gestolen van de oorspronkelijke bevolking die tot zeer recent – en in de Donbas nog steeds – daadwerkelijk bloot stond aan etnische zuivering. En verder terug in de tijd: waar streken Viking-kolonisten ook alweer neer, of Duitse, of Vlaamse? En wie kan nog uit elkaar houden wat er op de Balkan allemaal is geschoven en gesjoemeld met volken?
Door dit oordeel specifiek te vellen over de staat Israël wordt die er eenzijdig uitgelicht. En daarvoor is er toch echt dat a-woord.
Bovendien wijzen alle vingers zo eenzijdig naar Israël als de grote dader en boosdoener. Daarmee laten mensen zich gemakkelijk voor het karretje spannen van Hamas, want over hun gruwelijke misdaden hebben we het dan nog nauwelijks. Wie de bommen gooiden op Gaza was duidelijk: de Israëli’s. Maar dat Hamas bewust haar wapens en mensen in ziekenhuizen, scholen en woongebouwen plaatste, terwijl de strijders zelf redelijk veilig in de tunnels zaten, telt dan niet meer mee. Burgers werden bewust massaal opgeofferd.
Maar let wel: Hamas is niet hetzelfde als ‘de Palestijnen’. Die worden niets gevraagd, door geen van de partijen. Intern heeft Hamas in Gaza nog steeds de macht, dankzij roof, intimidatie en terreur. Ze laten zich niet met bommen verjagen. De rekening wordt betaald door de grote massa Gazanen die vermalen wordt tussen eigen machthebbers en externe aanvallers. En de vrees is dat ook de westelijke Jordaanover eenzelfde lot wacht. Het helpt Palestijnen of Arabische Israëli’s of Joden echt niet als wij hier ferme politieke standpunten innemen.
Bijbels kernwoord
Maar goed: politiek is niet alles. ‘Israël’ hoort in de kerk allereerst een kernwoord te zijn. Het roept onmiddellijk vragen op en spanningen en discussies, maar dat moet juist. Niet om zo tot het ene goede antwoord te komen, want dat is er niet.
Israël is de wortel van het christelijk geloof en haar zuster het jodendom kan haar helpen de bijbel met andere ogen te leren lezen. Ze kan de kerk zelfs helpen zich te bevrijden van al te heidense of gewoon seculiere denkbeelden, gewoonten en handelingen die er in de loop der eeuwen zijn ingeslopen.
De kerk moet het laten om meteen haar oordeel klaar te hebben over Joods geloof en leven of over de staat Israël. Recht doen, vriendschap liefhebben en naarstig wandelen met je God – daaraan heeft de kerk haar handen al meer dan vol. En laat alstublieft dat ongemakkelijke woord ‘Israël’ haar dwars in de keel blijven steken. Daar wordt de kerk christelijker van.