One giant leap

Laat ik Neil Armstrong’s veelbesproken woorden eens omdraaien: ‘That’s one giant leap for a man, one small step for mankind.’ Hij zei het precies andersom toen hij op 21 juli 1969 van het laddertje van de maanlander op het maanoppervlak stapte. Van het overstappen van de ene Linux distro naar de andere zal werkelijk niemand wakker liggen, maar toch was het voor mij wel even een gedenkwaardig moment. Ik verving Kubuntu 24.04 door Fedora 44 en verruilde dus de wereld van Debian voor die van Red Hat. Nou en?

Zowel Debian als Redhat werden geboren in 1993 op het nog maar net bestaande erf van Linux, dat weer lag aan een zijweg van Unix, de moeder van alle server-besturingssystemen. Vanaf dat prille begin tot op vandaag zijn Debian en Red Hat open-source besturingssystemen, maar toch gingen hun wegen uiteen. Debian is nog steeds het project van een democratische gemeenschap van ontwikkelaars. Debian is de basis voor veel Linux distro’s, met name Ubuntu en Linux Mint met al hun varianten. Enigszins ironisch zijn juist deze distributies tamelijk clement in het toelaten of zelf toevoegen van niet-open-source software, met name grafische drivers of mediacodecs.

Maar Red Hat koos begin deze eeuw het pad van commercieel leveraar van (open-source) serversoftware (Red Hat Enterprise Linux) en is inmiddels al weer jarenlang onderdeel van IBM. Tegelijk met deze koerswijziging zag het Fedora Project het licht als onderdeel van Red Hat. Fedora is gebaseerd op RHEL, maar blijft principieel en tamelijk strikt open-source en het heeft naast Red Hat personeel ook een eigen gemeenschap van ontwikkelaars. Red Hat gebruikt Fedora ook gedeeltelijk als haar proeftuin voor de commerciële markt.

(En waarom heet deze distro Fedora? Simpel: die rode hoed van het moederbedrijf is natuurlijk een fedora. Zie Indiana Jones, Frank Sinatra of Humphrey Bogart.)

Dus: mijn ‘giant leap’ sprong van de klassieke volledig community-based en niet-commerciële open-source Debian-maan naar de nog steeds open-source maar wel commerciële Red Hat-zustermaan. Of je dat nu kunt volgen of niet, het was een mentale wissel. Maar uiteindelijk kan een mens niet onbeperkt calvinistisch blijven.

En hoe bevalt dat dan?

Het is eerst wennen, uiteraard. Software installeren vanaf de commandline met APT wordt nu met DNF – net even andere commando’s. Want Debian werkt met het DEB-formaat voor softwarepakketten en Red Hat met RPM. Maar DNF laat dan weer wat netter zien wat het wil doen en doet. Jammer genoeg moet ik nu wel Synaptic, de grafische omgeving waarmee je heel makkelijk door alle softwarepakketten kunt zoeken en ze kunt beheren, missen. Nee, dat heeft Fedora niet, hoewel er iets in de maak schijnt te zijn. Helaas: tot die tijd blijft het of DNF, of je behelpen met een wat onbeholpen software manager als Discover.

Verder is Fedora streng op open-source. Propriëtaire codecs kun je makkelijk installeren, net als drivers voor bv. NVidia grafische kaarten, maar voor VirtualBox moet je een extra Flatpak-repository toevoegen. Toch doet Fedora dat wel netjes: zo’n extra repository is de verantwoording van de softwaremaker, in dit geval Oracle, maar Fedora checkt wel of hun richtlijnen goed worden gevolgd. Er is zelfs een eigen Flatpak-repository van Fedora zelf. Dat ligt anders voor een grote bron van zeer verschillende software zoals Flathub. Lijkt erg makkelijk, maar je krijgt gemakkelijk conflicten met Fedora’s eigen repositories. Die voeg je dus alleen toe als het echt niet anders kan (en dan moet je die van Fedora weer verwijderen). En ja, dat was in de wereld van Debian wel eenvoudiger: je voegde makkelijk een PPA toe.

Er is ook nog de noodsprong van alien, een commandline tool om DEB-pakketten te converteren naar RPM. Maar het is erg afwachten of dat heelhuids lukt. Je merkt het vanzelf als je de zelfgemaakte RPM wilt installere…

En verder komt Fedora met Wayland als grafische basis in plaats van het aloude (en na ruim 40 jaar te oude) X11. Het loopt voorshands soepel. Ook de Linux-kernel is meteen up-to-date, versie 7.1, zodsat VirtualBox zonder haperen mijn noodzakelijke Windows-programma’s draaien kan. Anders dan Kubuntu installeerde Fedora standaard de NFS en SSH pakketten. Vind ik wel zo logisch, omdat veel mensen netwerkopslag of remote login zullen gebruiken.

Laatste grappige detail: toen ik in 2004 de eerste beginselen van Linux leerde, kregen we, toen we na wekenlang oefenen op de commandline toch in de grafische omgeving mochten, iets heel handig nieuws voorgezet: de Red Hat Package Manager, ofwel RPM… En mijn allereerste eigen distro’s, Mandrake en SuSE, gebruikten die ook.

……wordt vervolgd……