
‘Ik vind God wel in de kathedraal van ongekorven hout.’ Dat was een oud gereformeerd verweer van wie des zondags niet ter kerke ging, maar een boswandeling maakte. Inmiddels zijn de meeste mensen er wel van doordrongen dat de mens zich veel te veel heeft losgemaakt van de natuur. En het zijn niet de minsten die dat een spirituele crisis noemen. Dus: moeten we God weer zoeken in de natuur?
Laat ik meteen maar stellig zijn: God woont niet in de natuur, God wordt geen aarde als uitdrukking van de incarnatie die dan op Kerst wordt geprojecteerd, en de natuur is absoluut niet goddelijk. Ze raken elkaar, ze correleren, ze kunnen niet zonder elkaar, maar het onderscheid zien en de gepaste afstand bewaren is essentieel. En voor de goede orde: ‘incarnatie’ is een woord uit de christelijke leer, maar het Latijn noch het Grieks van de bijbel kennen het.
God wegzetten als Schepper ver weg, die alles verder overlaat aan natuurwetten, is reductionistisch en we noemen het deïsme. Dat is veel te weinig. Maar in de natuur God ontmoeten slaat door naar de andere kant. Het eerste is vooral rationalistisch, maar het tweede verzinkt in romantiek en emotie.
Tweede stelligheid: God in de natuur zien is gewoon heidendom. Dan is de gegeven wereld het vertrekpunt en die wordt tot norm van wat goed is en daarmee in feite vergoddelijkt. Maar omdat dit in het dagelijkse leven niet vol te houden valt, beland je dan onvermijdelijk in een dualisme tussen òf goed òf kwaad. En in het logisch vervolg daarvan wordt strijd gezien als het grondbeginsel van het natuurlijke bestaan. En ja, het nodige daarvan is al lang geleden binnengeglipt in christelijk geloof: de eeuwige strijd tussen kinderen van het licht en kinderen van het duister, tussen duivel en engelen, enzovoort. Waar fundamenteel schuldbewustzijn dan weer de volgende vrucht van is.
Ik schreef dit al eerder en herhaal het nog maar eens.
De bijbel onttovert de aarde en wie daarop wonen. Bergen, bronnen of bomen hebben geen goddelijke geest in zich. Zon, maan en sterren beheersen niet de loop der dingen. En mensen zijn geen goden en zeker niet God. Scheppen is onderscheiden en de Schepper is te allen tijde fundamenteel onderscheiden van de schepping. God is de Gans Andere.
Dat God tegelijk de Aanwezige is, is daarom een van de opdrachten voor gelovigen. Want hoe doe je dat: de Oneindige verbinden met het eindige, de Onzichtbare herkennen in het zienlijke? Bij Israël begint dat met het bouwen van een draagbaar heiligdom, de tabernakel. Maar in het hele Oude Testament wordt de vraag uiteindelijk niet beantwoord en na de verwoesting van Jeruzalem bleef het een voortgaande opdracht voor het rabbijnse jodendom. Het Nieuwe Testament lost het probleem evenmin op. En wij moeten dat in ieder geval niet proberen door Johannes 1 op Lukas 2 te plakken, zodat het aardse ineens bovenaards lijkt, en bovendien de magiërs uit Matteüs 2 niet eens meer nodig zijn.
Is er dan niets meer heilig? Jan Martijn Abrahamse stelt de vraag in zijn lectorale rede aan de CHE. Zijn antwoord is uitvoerig en meteen de basis voor een onderzoeksproject. Ik heb het geboeid gelezen. En toch… Heiligheid wordt zo weer te gemakkelijk tot een object, een eigenschap, een toestand, een iets. Calvijn had het over een werkwoord: heiligen. Dat moet hij geleerd hebben van de rabbijnen. Jonathan Sacks laat zien hoe heiliging en moraal – net als geloven en leven voeg ik toe – volledig verweven zijn, zonder dat ze in elkaar opgaan.
Dus inderdaad: correlatie. Daarin ben ik het niet eens met Miskotte die correlatie kenmerkend vond voor het Joodse geloof maar daar vanuit het christelijk geloof de predestinatie tegenover plaatste. Predestinatie klinkt mij veel te mechanistisch, veel te natuurlijk. Alsof alles volgens plan, nou ja: Gods Plan dan, zou verlopen. Dat ontneemt de mens niet enkel de vrije wil, maar vooral diens moraliteit. Dat dingen heel vaak gebeuren buiten onze macht is duidelijk, maar maak daar alstublieft geen systeem van. God en mens correleren – laat de mens dan vooral gespitst zijn op die momenten van geraakt zijn door dat wat groter is.
Heus, de natuur is een wonder. Minder kan het niet heten. Hoe meer we het behandelen als een systeem, als grondstof of als plek van vermaak, hoe vaker het ons net ontglipt. Hoe dieper de wetenschap in genomen en subatomaire deeltjes kan kijken, hoe meer verrassingen er opduiken. Want het systeem blijkt niet waterdicht of gewoon ondoorgrondelijk. Grondstoffen zijn niet onuitputtelijk en winning ervan verwoest hele landschappen. En vermaak botst zomaar met het weer dat te heet, te koud, te droog of te nat is.
Maar in dat wonder van de natuur meteen de hand van God zien is te makkelijk. Laat staan dat we de Schepper van hemel en aarde reduceren tot ‘Inteligent Design‘. Dan sluit je die Schepper weer netjes op in dat wat geschapen wordt en God is altijd groter dan dat. Precies om die reden – dat God altijd groter is en heiligheid nooit kan worden verkleind tot een eigenschap of een toestand – daarom moet de mens respectvol en zorgzaam omgaan met natuur. Al was het maar omdat we zelf precies net zo’n klompje cellen, sappen en weefsels zijn. ‘The brief elaboration of a tube,’ zong Leonard Cohen met recht. Daar zit het wonder in en het raakt ons als een vleugelslag in het voorbijgaan.
En daaraan ontbreekt het de mensheid inderdaad in hoge mate. We hebben een groot woord over natuur en natuurlijk leven, maar in dezelfde adem door maken we daar ecosystemen, beheersplannen en een eindeloze stroom groene produkten en diensten van. We hebben dus nog niets afgeleerd van onze grenzeloze drang tot beheersen, consumeren en verkopen. Waar zijn respect, nederigheid, eerbied en zorg gebleven?
Om de ‘schitterende vergezichten en rust’ van ‘dit goed bewaarde hoogveengebied’, het Fochteloërveen, te bewaren bouwen we een transportband van twee kilometer lang. Machines graven en baggeren. Alles draait, uiteraard ‘emissiearm‘, al jarenlang en dat gaat nog wel even door. ‘Tot zover het oog reikt zie je veen, veen en nog eens veen,’ zegt de website. Eerlijk gezegd zie ik overal het einde van het veen nog wel. Tja, ‘wat is natuur nog in dit land?‘
Onze nieuwe buren besloten de ruime tuin rondom hun nieuwe woonstek grondig aan te pakken. Er is een nieuw gazon ingezaaid. Struiken en bomen zijn gerooid, gesnoeid en aangeplant. De hele hete zomer lang is er duchtig gesproeid en alles staat er inderdaad keurig netjes bij. Dat betekende wel de inzet van twee flinke trekkers met grote kippers erachter, een verreiker, motorzagen, motorfrezen, bladblazers en nog meer. Plus uiteraard de radio, want hoveniers werken niet zonder muzak. Het herstel van de natuurlijke omgeving bracht de nodige geluidsoverlast. En helaas, precies dat ene stukje spontane natuur waarvan wij de vruchten konden plukken, de prachtig bloeiende braamstruiken, zijn nu verdwenen. Stil draait nu de maairobot zijn patronen en eenzaam wacht die ’s nachts bij het oplaadpunt, zodat ook dit laatste directe menselijke contact met de tuin aan een apparaat is uitbesteed. Wat is natuur nog…?
Ik veroordeel het allemaal niet, maar ik zie vooral de ironie ervan. Tegelijk ook de bevestiging van de stelling dat we losgeraakt zijn van onze natuurlijke wortels. Wat moesten we bij meester Lanser ook alweer opzeggen als we te laat op school kwamen? Spreuken 6,6:
Ga tot de mier, gij luiaard,
zie haar wegen en word wijs…
‘Onthoud dat en ga zitten, jochie,’ was het vaste refrein daarop. Dan wist je je plaats weer: tussen de mieren.